Onze familie, zowel van vaders- als van moederskant, is gezegend met een
sterk gestel, zoals ze dat hier zeggen. Mijn vader is, langs zijn kant, de enige die op jonge leeftijd overleden is. Hij is net geen 66 geworden. Hij was de oudste van tien en al zijn broers en zussen leven nog, in goede gezondheid. Ze zijn allemaal een eind in de tachtig en begin de negentig.
Langs mijn moeders kant - ook een gezin van tien - is het eigenlijk hetzelfde. Eén zus van haar is overleden rond haar zeventig en vijf jaar geleden is mijn moeder gestorven. Zij was net geen 84. Te jong, altijd te jong voor wie achterblijft, maar op zich is 84 een gezegende leeftijd. Zeker als je nooit iets gemankeerd hebt.
Mijn papa, zoon, man, mama - zomer 1989 aan zee, 10 maanden voor mijn vader overleed
Ook mijn grootouders zijn een eind over de 80 geworden wat oud is voor mensen van die generatie. Mijn bompa was nog van de 19de eeuw! (°1890 -
†1975)
Gisteren hebben we een nonkel begraven, de man van mijn moeder haar op een na jongste zus. Hij was de jongste van de familie, 79 jaar. Vroeger, toen we zelf nog piep waren, vonden we 79 oud. Stokoud. Nu we zelf halverwege de zestig zijn, denken we daar heel anders over. De betekenis van het woord 'oud' verschuift naarmate je zelf ouder wordt.
Ik denk er wel eens over na. Niet over de dood op zich, maar ik stel mij wel eens de vraag 'hoeveel tijd krijg ik nog'. Het gaat zó snel, alsmaar sneller. Ik zou de tijd wel willen tegenhouden moest dat kunnen.
En daarom probeer ik te genieten van elke dag. Van de kleine en van de grote dingen. En niet te veel denken aan morgen, overmorgen, volgende week. Want ik leef NU.
Pluk de dag.
Carpe diem.