
Ik wacht op de lente, op de mooie voorjaarsbloemen, op het fijne groen, op mooi(er) en warm(er) weer. Ik wil weer potten vullen met eenjarigen, van mijn terras één grote bloemenzee maken. De ligbedden moeten terug op hun plaats in de tuin. Ze hebben lang genoeg overwinterd.
Weg met de laarzen, de pulls met lange mouwen, de winter- en regenjassen. Ik wil weer gewone schoenen aan, zonder kousen lopen, in bloesjes met korte mouwen in vrolijke kleuren.
Wanneer, o wanneer?